
fraudemelding
Wilt u fraude melden, neem dan contact op
Arbeidsuitbuiting / Mensenhandel
Het uitbuiten van personen via arbeid of diensten is een ernstig delict, en strijdig met internationale regels en onze grondwet. De SIOD bestrijdt arbeidsuitbuiting en mensenhandel.
De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst ( SIOD) is een van de vier bijzondere opsporingsdiensten die de rijksoverheid kent. In onderstaand document wordt de positie die deze BOD’en innemen, toegelicht.
Rechtsregels zijn belangrijk voor onze samenleving. Niet
alleen regels die het gedrag van burgers onderling in goede
banen moeten leiden, maar die ook de omgang tussen de
burgers en de overheid regelen. Deze regels noemen we
ordeningswetgeving.
Het gaat om uiteenlopende wetgeving. Denk bijvoorbeeld aan
regels op het gebied van inkomens- en
vermogensoverdrachten, belastingwetgeving en sociale
zekerheid. Of aan wetgeving op het terrein van de
volksgezondheid, de bescherming van het milieu, de
voedselveiligheid, leefomgeving, arbeidsveiligheid, de
vrijwaring voor gevaar en hinder, de bescherming van de
consument en de integriteit van de financiële
sector.
Zonder deze regels kan Nederland simpelweg niet
functioneren. Het is daarom ook van belang dat ze goed
worden gehandhaafd. Heldere voorschriften en goede
voorlichting maken het voor burgers en bedrijven
makkelijker om zich aan de regels te kunnen houden.
Wie echt niet wil en fraude pleegt, brengt ernstige schade toe aan de economie en de maatschappij in het algemeen. Het is daarom van belang dat degenen die door bewust crimineel gedrag deze schade berokkenen, via het strafrecht hard worden aangepakt. Op het terrein van de ordeningswetgeving die hierboven is genoemd, vervullen de bijzondere opsporingsdiensten (BOD’en) in ons land een specifieke rol. Dit zijn:
In de fraudebestrijding gaat het om de bescherming van het ‘sociale kapitaal’ in de samenleving: het vertrouwen dat burgers hebben in eerlijkheid van zakelijke transacties met anderen of in een eerlijke verdeling van lusten en lasten in de samenleving 1).
De bescherming van het 'sociale kapitaal' is een aspect dat nadrukkelijk bij de handhaving van ordeningswetgeving een rol speelt en daarmee de kern raakt van fraudebestrijding door de BOD ‘en.
Er zijn vele in aard uiteenlopende vormen van fraude te onderkennen, waardoor een eenvoudige en eenduidige aanpak niet goed mogelijk is. Dit gaat zeker op als we het brede terrein van de ordeningswetgeving daarbij betrekken.
In dat licht is het belangrijk een aantal aspecten te benadrukken die met de handhaving van ordeningswetgeving samenhangen. Deze verdienen aandacht bij het streven van justitie naar een effectieve aanpak van fraude en een samenhangende visie die daaraan ten grondslag ligt. Ze hebben enerzijds te maken met het specialistische karakter van ordeningswetgeving, anderzijds met de politieke verantwoordelijkheden die bij de aansturing van handhaving van ordeningswetgeving een rol spelen. Daarnaast – maar niet los daarvan – kent fraudebestrijding op basis van ordeningswetgeving een aantal specifieke karakteristieken die in een ‘bredere benadering van fraude’ ook zijn plaats moet krijgen. Deze karakteristieken zijn: ‘de beleidsgestuurde benadering’, ‘de delictgerichte insteek’ en ‘de ketenbenadering’.
Bovengenoemde aspecten en karakteristieken zijn van invloed op de wijze van samenwerking tussen BOD’en, politie en andere instanties op het terrein van fraudebestrijding, de coördinatie daarvan, als ook op de inzet van het handhavingsinstrumentarium.
Het specialistische karakter van ordeningswetgeving was
voor het kabinet 2) de reden om de taken van de bijzondere
opsporingsdiensten niet te integreren in de
politieorganisatie. Het karakter van de ordeningswetgeving
en de noodzaak om voor de handhaving te beschikken over
specifieke kennis en vaardigheden houdt in dat de reguliere
politie voor die handhaving niet de aangewezen instantie
is, omdat zij veelal niet beschikt over die kennis en
vaardigheden. Deze zijn op de meest directe en
efficiënte manier bij een – bijzondere –
opsporingsdienst aanwezig en gewaarborgd, aldus het
kabinet.
Gegeven het belang van fraudebestrijding op het terrein van
ordeningswetgeving zullen ook de kennis en vaardigheden van
de BOD‘en op dit terrein onderdeel moeten uitmaken
van de visie op fraudebestrijding van justitie. Volgens het
kabinetsstandpunt inzake de bijzondere opsporingsdiensten
is deze wetgeving evenwaardig aan de handhaving van de
commune wetgeving. Het belang van de ordeningswetgeving
maakt het noodzakelijk dat op maat gesneden handhaving
daarmee gelijke tred houdt.
Samenhangende kennis over fraudegebieden, fraudevormen en over de wijze waarop de overheid effectief kan bijdragen aan de bestrijding van fraude vraagt in de visie van de BOD’en nadrukkelijk om een intensieve samenwerking en afstemming tussen politie en BOD’en en de verantwoordelijke departementen.
Primair hebben de bijzondere opsporingsdiensten tot taak
hun bijdrage te leveren aan de strafrechtelijke handhaving
van de ordeningswetgeving waarvoor de minister
verantwoordelijk is onder wie zij ressorteren en eventueel
(zo daarin door de betrokken ministers is voorzien) van
ordeningswetgeving waarvoor een andere minister
verantwoordelijk is.
Dit neemt niet weg dat de bijzondere opsporingsdiensten in
hun opsporingswerk kunnen stuiten op vormen van commune
criminaliteit. De opsporing van deze criminaliteit is
echter – anders dan bij de reguliere politie –
niet de primaire invalshoek van waaruit de bijzondere
opsporingsdiensten werken.
Wanneer zij bij hun taakuitvoering stuiten op commune
delicten hebben zij door de algemene opsporingsbevoegdheid
de mogelijkheid een onderzoek voort te zetten.
Hierbij geldt echter, zoals ook uiteengezet in het hiervoor
genoemde kabinetsstandpunt van 15 december 1999, dat de
bijzondere opsporingsdiensten zich in hun taakuitvoering in
beginsel dienen te beperken tot de handhaving van de eigen
ordeningswetgeving en zich onthouden van het eigenstandig
verrichten van opsporingsonderzoeken in het kader van de
aanpak van de commune criminaliteit.
Dit uitgangspunt is nader uitgewerkt in de in artikel 3 van
het wetsvoorstel Wet op de BOD’en neergelegde
taakomschrijving van de bijzondere opsporingsdiensten.
Hierbij is tevens onderkend dat ook bepalingen uit het
commune strafrecht mede een ordenend karakter kunnen
hebben. In die gevallen hebben de betrokken bijzondere
opsporingsdiensten natuurlijk wel een eigen
verantwoordelijkheid bij de opsporing van die
delicten.
Het is duidelijk dat waar zowel BOD‘en en politie
zich (mogelijkerwijze) bedienen van hetzelfde
(strafrechtelijke) handhavingsinstrumentarium strategische
afstemming en coördinatie tussen BOD’en en
politie essentieel is.
De BOD’en voeren vanuit een beleidgestuurde benadering opsporingsonderzoeken uit. Een delictgerichte insteek en gerichte ketensamenwerking staan daarbij aan de basis. In het totaalbeeld van fraudebestrijding moet dit perspectief ook worden meegenomen. Niet alléén ter wille van de volledigheid, maar ook vanuit de gedachte dat het perspectief van de BOD’en complementair is aan de meer strafrechtelijke en dadergerichte insteek.
Bij fraudebestrijding zijn veel private en publieke
partijen betrokken. Deze hebben verschillende perspectieven en belangen. Het meest
opvallende verschil is de scheiding tussen verticale fraude
en horizontale fraude.
Verticale fraude, voornamelijk het domein van de
BOD’en, speelt tussen overheid en burgers (met een
primair bestuursrechtelijke regulering) en horizontale
fraude vindt plaats tussen burgers onderling (primair
civielrechtelijk gereguleerd).
Binnen de verticale fraude 3) is ook het nodige onderscheid te maken. Zo bestaat er een sector waarin de burger iets van de overheid krijgt (uitkering, subsidie, vergunning, identiteitsbewijs), een sector waarin de burger iets aan de overheid moet afstaan (premies en belastingen) en een sector waarin de overheid richting burger of bedrijf algemene regels stelt, zonder dit op individuele basis vast te leggen (richtlijnen op basis van sectorale wetgeving).
In alle drie de sectoren komt fraude voor in die zin dat de burger zijn ‘verplichtingen’ tracht te ontlopen door de waarheid anders voor te stellen dan zij is. In de meeste gevallen is financieel gewin daarbij de belangrijkste drijfveer. Voor alle sectoren geldt onmiskenbaar dat de overheid met de gekozen instrumenten probeert een bepaald beleid te realiseren en haar burgers goed te dienen. Handhaving van de ordeningswetgeving speelt daarbij vanzelfsprekend een cruciale rol en is daarmee niet alleen gericht op de verhouding tussen de overheid en een enkel (rechts)persoon.
De BOD’en zijn zich van deze expliciete beleidscontext bewust. Het heeft als bijzonder kenmerk dat de handhaving van de regels niet rechttoe rechtaan is, maar zich afspeelt in een krachtenveld waarin ook andere belangen een rol spelen. Dit vereist bij de uitvoering van opsporingsonderzoeken kennis en inzicht in de ordeningswetgeving en van specifieke fraudeconstructies op dit terrein.
Daarnaast is kennis en inzicht nodig van de wijze waarop fraude kan worden voorkomen . Dit is niet altijd eenvoudig. Immers, het is makkelijker om het te zoeken in de handhaving (reparatie aan de achterkant – ‘hozen’) dan in het aanbrengen van structurele aanpassingen aan de voorkant (‘lek dichten’), zoals in het ‘Fraudevenster’ zo treffend wordt verwoord 4). Het vraagt van de BOD’en bijzondere alertheid ten aanzien van beleidsrelevante aspecten.
De beleidgestuurde benadering, die kenmerkend is voor de
BOD’en zien we ook terug in de meer delictgerichte
insteek van fraudebestrijding door de BOD’en. Hierbij
wordt het accent anders gelegd dan bij de meer
dadergerichte benadering.
De delictgerichte benadering kent een meer proactieve, meer
op preventie gerichte handhaving. Het gaat daarbij in de
eerste plaats om het opsporen en inzichtelijk maken van
fraude(constructies) en het beëindigen van de fraude.
Uiteraard zullen de daders van deze fraude daarbij ook in
de kraag moeten worden gevat. Met de delictgerichte insteek
benadrukken de BOD’en impliciet dat het om
méér gaat dan alléén het pakken
van de overtreder zelf.
Om delicten te kunnen bestrijden moet je ze eerst
‘goed begrijpen’. Daarvoor
is specifieke kennis nodig, zoals hierboven al is
uiteengezet. Het delen van kennis
door de BOD’en én hun ketenpartners is in de
visie van de BOD’en van essentieel belang.
Kennisdelen maakt een integrale aanpak mogelijk en geeft
daarmee een completer beeld van fraudeomvang, van de
‘vindplaatsen’ van fraude en van vormen van
fraude.
De delictgerichte insteek heeft enerzijds een heel praktische kant (goede opsporingsonderzoeken uitvoeren) en dient daarnaast een ‘hoger doel’ (opbouwen van kennis om fraude in de toekomst te helpen voorkomen). Dit betekent ook dat voorzien wordt in de groeiende behoefte aan kennis over fraude en fraudebestrijding.
De complexiteit van wet- en regelgeving maakt een goede
fraudebestrijding lastig. Het is duidelijk dat
krachtenbundeling, van toezicht tot en met opsporing en
vervolging, noodzakelijk is. Opsporing van fraude binnen de
ordeningswetgeving staat niet op zichzelf, maar vormt een
onderdeel van een handhavingsketen, waarbij de
strafrechtelijke aanpak het sluitstuk vormt.
Voor de volledigheid moet worden opgemerkt dat juist binnen
de departementen waarvan de BOD’en deel uitmaken
'opsporing' slechts een onderdeel van de
interventiestrategie is. Het strafrecht is dan niet per se
‘het sluitstuk’; dat kan bijvoorbeeld ook een
bestuurlijke boete zijn.
De ketenaanpak is een belangrijk aspect van de fraudebestrijding door de BOD’en, omdat het een integrale aanpak en daarmee een afgewogen inzet van het handhavingsinstrumentarium mogelijk maakt. De BOD’en maken deel uit van een eigen departementale handhavingsketen. De organisatie van de fraudebestrijding (met als onderdeel de opsporing) kan als volgt worden weergegeven. 5)
| Bestuurlijk | Strafrechtelijk | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| Preventie | Signaleren | Toezicht (Onderzoek, controle en afdoening) | Opsporing | Vervolg of sepot | Berechting |
Binnen elk afzonderlijk ministerie is deze keten op een eigen manier ingericht. Bij de AID en de VROM-IOD maken de opsporingsonderdelen deel uit van de departementale inspectiediensten. Bij de SIOD en de FIOD-ECD zijn deze als afzonderlijke directies binnen het departement gepositioneerd.
Het werken binnen een handhavingsketen bepaalt enerzijds de unieke werkwijze van een BOD; het geeft het kader, de strafrechtelijke handhaving van ordeningswetgeving, aan waarbinnen elke BOD werkt. Anderzijds zorgt het voor een optimale handhaving van deze ordeningswetgeving; alle onderdelen van de keten zijn op elkaar afgestemd en zorgen ervoor dat het juiste middel (bestuursrecht of strafrecht) wordt ingezet op het moment dat er misbruik van de wet wordt geconstateerd.
Noten: